het Varendmuseumschip
tel: 06 260 387 16


                          


 
 

Voormalig eiland Marken

               

 


Marken lag in het uiterste Oosten van Waterland op de grens van het Flevomeer.   

(Marke betekentbegrenzing)

 

   

Van de hevige stormvloeden die plaatsvonden in de periode tussen 1150 en 1250 

hebben met name die van 1164 en 1170 Marken tot een eiland gemaakt. De hevige

stormvloeden van 1267 en 1287 zouden daarna tot het ontstaan van de Goudzee (later

Gouwzee) hebben geleid waarna vervolgens de Voor-IJe en het Purmer Meer door het 

water werden uitgeschuurd.

   

Op Marken waren toende eerste bedijkingen reeds aangebracht door monniken van 

het Friese klooster Mariëngaarde die in 1231 een gedeelte van heteiland in bezit 

kregen en het overige deel in 1251 aankochten van de heren van Waterland.

   

Behalve de eerste dijken bouwden de monniken twee boerderijen 

(Westhuis en  Oosthuis) met bijbehorende uithoven en aan respectievelijk

Sint Nicolaas en de Heilige Maria gewijde kapellen.

De kloosterlingen zorgden ook voor de afwatering om vervolgens van landbouw over

te schakelen op veeteelt. Vanuit een derde huis in Monnickendam hebben de 

monniken rond 1250 waarschijnlijk ook een in de buurt van delatere Grote Kerk 

gelegen stuk buitendijks land bedijkt en ontgonnen.

  

In 1268 en 1274 stonden de aan hun Friese gewoonterecht gehechte boeren in 

Waterland op tegen de grafelijke belasting en in1297 verzamelden de Friezen zich op 

zee voor Monnickendam om te vechten tegen de Hollanders. Toen de strijd in 1345 

weer oplaaide kwam Marken echter in handen van Willem IV van Holland, die de 

monniken van Marken en Monnickendam verdreef. De monniken hadden rond die 

tijd 22 hectare van de grond in eigengebruik terwijl 250 hectare met een twintigtal 

huizen werd verpacht aan leken. Hun landerijen en hun veestapel van 28 paarden, 118 

runderen en 18 varkens werden verkocht aan 10 Markers en 6 Amsterdamse poorters.

     

Na het vertrek der monniken hadden de weinige overgebleven bewoners grote moeite 

om de dijken te onderhouden waardoor de grond regelmatig werd overstroomd door 

het steeds zilter wordende water. De grond was nog wel geschikt voor het oogsten van 

hooi dat de Markers met hun hoog opgetaste botters tot in de 20ste eeuw aan

de man brachten. Omstreeks 1516 zijn er 184 Waterlanders geëmigreerd naar het bij 

Kopenhagen aan de Sont liggende Deense eiland Amager. Behalve een aantal bronnen 

duiden klederdachtovereenkomsten en de slechte situatie in de visserij erop dat er 

onder die emigranten wellicht Marker (en volgens enkele bronnen ook Volendammer)  

gezinnen waren.

   

Om zich op het eiland tegen het water te beschermen bouwden de Markers tussen 1470 en 1700 in totaal 27 terpen ofwel ‘werven’,die tot ongeveer twee meter boven het maaiveld lagen en waarvan er nu 12 over zijn. Vanaf ongeveer 1350 is de oppervlakte van het eiland met 35% verminderd en is er onder meer een complete havendam onder de golven verdwenen. 

Met de toename van de bevolking 

die 

in 1622 uit 750 zielen 

bestond werd het aantal 

werven verder uitgebreid en vergroot, maar 

door 

overstromingen en branden gingen de 

meeste verloren. Na de overstromingen 

halverwege 

de 16de eeuw zijn door de hevige overstroming 

van 1665 en een brand in

 

1667 opnieuw 

terpen verloren gegaan, maar de meest 

rampzalige periode was de 18de eeuw.

    

Nadat bij de overstroming van 1700 vier werven 

verloren waren gegaan werden vooral 

aan de 

zuid-

zijde de volgende terpen door overstromingen weggevaagd 

Houtemanswerf(1703),

Kloosterwerf

(1715),Thamiswerf (1720), 

 

Kleine 

Kloosterwerf (1735) en Kraaienwerf (1775). 
In 1736 spoelde de zee het voorland en delen van de dijk weg, in de winter van 1756-’57 ging het eiland door de zware stormvloeden bijna ten onder en in 1774 liepen de dijken wederom grote schade op.Om het eiland van de ondergang te redden hebben de Raden van Holland van 1699 tot 1810 bij voortduring vrijdom van belasting moeten verlenen,want de geteerde houten huizen vielen ook nogal eens ten prooi aan de vlammen. Zo verwoestten de branden van 1706 en 1731 mogelijk De Remmitswerf en de Noorderwerf bij de vuurtoren en in 1810 brandde de Jan Reynseswerf (later De Heuvel genaamd) tot de grond toe af. In 1905 gingen 13 houten huizen van buurt II in vlammen op. 

 

  

De 12 overgebleven buurten zijn behalve de Havenbuurt 

de nabij gelegen Buurten I 

t/m IV en 

de Kerkbuurt die ooit uit drie werven bestond en 

naar de oude 

naam Monnikenwerf ook Mekuref 

wordt genoemd. 

Dan ligt bezuiden 

de Buurten 

de Kets (met het Fort) en langs het vanaf de 

Kerkbuurt lopende Zereiderpad de Wittewerf, de Grote Werf en de Rozewerf en tenslotte wat meer afzijdig de Moeniswerf. De dicht tegen dedijk liggende Rozewerf wordt beschermd tegen kruiend ijs door als De twaalf apostelen bekend staande ijsbrekers. De vroegere werf Altena is later ingericht als begraafplaats en in het landschap zijn De Heuvel en de Noorderwerf duidelijk te onderscheiden. De vanaf 1840 ingetreden bevolkingsgroei leidde tot dichtere bebouwing van de werven waarbij in de Havenbuurt en tegen de werfhellingen paalwoningen werden gebouwd.

  

Marken bleef tijdens herfststormen door overstromingen geteisterd totdat er na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 geen direct gevaar meer was voor overstroming. Toen zijn de ruimtes tussen de palen als onderhuizen bij de woningen getrokken en is men tussen de Haven en de Kerkbuurt huizen gaan bouwen op het maaiveld.


Marken als vissersplaats

In 1494 was de visserij op Marken het hoofdmiddel van bestaan, maar die leverde niet altijd genoeg op. Dat was deels te wijten aan het handvest waarin hertog Philips in 1446 tot voordeel van de bokkingrokerij van Monnickendam verhandelen van haring op zee had verboden.Door dit afslagrecht waren de Marker vissers tevens gehouden om hun vis te lossen aan de afslag van Monnickendam waar de eilanders hun voorraden betrokken. Dan woedde er vanaf het begin van de 16e eeuw een hevige strijd tussen de vissers van de Westwal en die van de visrijke Oostwal. Met de Hollandse watersteden dienden de vissers van Uitdam,Monnickendam, Edam en Marken in 1534 een scherp protest in tegen de voor hen ongunstige maatregelen.

  

In 1559 kwam er een nieuwe regeling ter beperking van de visgronden en de maaswijdte, maar de onenigheid bleef nog lang voortduren. Vanaf 1555 was er een sterke opkomst van de Zuiderzeevisserij zodat het totale aantal van 90 waterschepen toenam tot 130 in 1600. De rond 1550 op de Noordzee begonnen buisnering op de Noordzee was echter nadelig voor de haringvisserij op de Zuiderzee en na een viertal overstromingen en twee branden moesten de Markers in 1566 ondanks hun spaarzaamheid wel verzoeken om hun belasting met driekwart te verminderen.

   

De Markers gingen niet bij de pakken neerzitten en weldra waren veel stuurlieden op de haringbuizen van Enkhuizen en De Rijp afkomstig uit Marken. In de 17de eeuw trokken zij ook ter walvisvaart en werden er op het eiland zelfs traankokerijen ingericht. In 1700 waren zo’n 80 Markers commandeur of schipper en evenals zeeman en visser leven deze oude beroepsnamen voort als achternamen.

    

De Markers zetten vanaf 1700 met de Durgerdammers hun Marker waterschepen in om sleepdiensten te verrichten op de Zuiderzee. Daar trokken zij de zogenaamde scheepskamelen (lichters met daarin liggende vrachtschepen) over de ondiepte van Pampus en in en uit de Amsterdamse haven.

  

Na 1700 liep met de haringvisserij in de Noordzee het aantal Marker stuurlui achteruit er in 1793 38 over waren. De Zuiderzeevissers van Huizen, Muiden, Durgerdam en Marken bleven de in 1752 weer bij plakkaat bekrachtigde aanvoerplicht van vis ontduiken en bestrijden.

  

Vooral de sinds 1760 in plaats van de waterschepenin de vaart gekomen meer zeewaardige botters verlegden hun visgebied en daarbij leverde het lossen op zee veel meer op. In de slechte Franse tijd kregen de Markers in 1798 vanuit Monnickendam boetes opgelegd voor het ontduiken van de leverdwang. Intussen kwam de jaarbesomming rond 1800 voor het verslepen van de scheepskamelen per schip niet boven de 700 gulden uit, maar enkele Markers hebben dit zware werk desalniettemin volgehouden tot na de opening van het Noord-Hollands Kanaal in 1824.

Na de malaise in de Franse tijd (1795-1813) vond vanaf 1811 een opleving plaats in de visserij op haring en ansjovis waaraan vanuit Marken 30 schepen deelnamen. Hoewel de verplichting tot de aanvoer van haring aan een van de zeesteden na de Franse tijd verviel bleef Monnickendam tot 1870 een van de belangrijkste aanvoerhavens. In 1825 werd Marken zwaar getroffen door een overstromingsramp waarbij 50 van de 190 huizen instortten en 20 door de golven werden meegesleurd. In hetzelfde jaar begon het werk aan het naar waterstaatsingenieur Goudriaan genoemde kanaal (op Marken: ‘de Knaal’) dat Amsterdam een snellere uitweg naar zee moest geven. 

  

Er werd zowel bij Durgerdam als op Marken graafwerk verricht zodat de schepen dwars door Waterland, de deels te dempen Gouwzee en Marken de zee konden bereiken. In 1828 werd het merkwaardige plan ineens stopgezet waarna de Marker boeren in het slootrijke land met een nutteloos kanaal bleven zitten. De Marker vissers wisten intussen met botslepen, de visserij met staande netten op haring en ansjovis en de kuilvisserij op spiering en aal goed aan de kost te komen. De in 1837 aangelegde haven moest in 1854 worden vergroot voor de toen uit ongeveer 90 visserschepen bestaande vloot.

   

Op het Oost van Marken waar vroeger al een vuurbaak lag werd in 1839 de door zeevarenden als Het Paard van Marken aangeduide vuurtoren gebouwd. De bewoonde toren wordt tegen opkruiende ijsschotsen beschermd door in zee staande ijsbrekers. In 1870 kwam de Westerhaven erbij en in 1888 bereikte de Marker vloot met 163 botters en 21 kleinere vaartuigen zijn grootste omvang. Nu nam het aantal vissersschepen in de andere plaatsen eveneens toe met overbevissing als gevolg, waarop de Marker ‘beren’ hun heil zochten op de haringloggers van het Duitse Emden en de Nederlandse havens Vlaardingen, Maassluis en Katwijk.

    

Naarmate de spoeling op de Zuiderzee dunner werd, de visserijbeperkingen toenamen en de plannen tot afsluiting van de Zuiderzee vastere vormen aannamen waren er meer Marker visserlui te vinden op de visgronden van de Duitse bocht tot de Shetlandeilanden. Tussen 1900 en 1920 voeren er regelmatig tussen de 100 en 200 Marker vissers op de loggervaart. In 1911 was het aantal Marker vissersschepen dan ook teruggelopen tot 97 botters en een 40 kleinere vaartuigen, toen Marken in 1916 andermaal werd getroffen door een watersnood die grote gevolgen zou krijgen.

    


De watersnood van 1916

Ondanks de buitensporige regenval waande de bevolking langs de boorden van de Zuiderzee zich begin januari 1916 betrekkelijk veilig achter de dijken. Door de aanhoudende westenwinden stond het water hoog tegen de met water verzadigde zeeweringen terwijl die op veel plaatsen door jarenlange veenafgraving en mollengangen verzwakt waren. Toen rond 11 januari een hevige noordwester storm opstak werd het water in het Zuiderzeebekken nog hoger opgestuwd.

                  

Nadat het water om 9 uur in de avond van 13 januari in een Spakenburgse woning was binnengedrongen begon de stormvloed tegelijk met de om 11 uur opkomende vloed in alle hevigheid los te breken. Langs de oostwal vonden van Groningen tot de polders bij Nijkerk overstromingen plaats terwijl Urk, Schokland en Kampereiland blank kwamen te staan. Om twee uur ’s nachts brak het water aan de zuidwal door de Eemdijken om al het omringende land in korte tijd tot aan Naarden te overstromen, maar het zwaarst werd Spakenburg getroffen. Daar maakte een ware vloedgolf de haven tot een scheepskerkhof van 62 botters waarbij tegelijk 21 andere vaartuigen over de dijk werden gesmeten en veertig huizen werden vernield. Aan de westwal beukten de door de stormwind opgezweepte golven al die tijd tegen de in de baan van de noordwesterstorm liggende dijkstukken.De dijk bij Andijk kon door een uiterste krachtsinspanning ternauwernood met zeilen en zandzakken worden behouden toen het bij de kleine polder Immingerhorn bij Enkhuizen misging waarna vervolgens de Anna Paulownapolder bij Nieuwediep onderliep. Ondertussen was zich op het laagomdijkte en menigmaal door watervloeden en branden geteisterde eiland Marken de grootste ramp aan het voltrekken.

      

Toen de Kerkbuurt ’s nachts om 1 uur eenmaal was ondergelopen werd het hele eiland een prooi der golven waarbij naast de schade aan de meeste woningen uiteindelijk zestien doden vielen te betreuren. Nadat het woest aanstormende water op de Marker Kerkbuurt een eerste leven had gekost werden rond twee uur in de nacht een aantal van de houten huizen op de Wittewerf van hun fundering gerukt waarbij een gezin met twee kinderen en een weduwvrouw het leven lieten.

Terwijl behalve een omvangrijke hoeveelheid huisraad hele woonhuizen door de golven werden meegesleurd vonden er drie van de zes bijeen wonende weeskinderen op de Grootewerf de verdrinkingsdood, maar het ergst van al was het op de Moeniswerf. Daar raakten niet alleen 23 van de 30 huizen onbewoonbaar, maar vonden ook een echtpaar en drie van hun vijf kinderen en nog twee vrouwen de dood.

       

In de haven was het een grote ravage van door elkaar geworpen botters waarvan er enkele op de kade huizen vernielden en twee anderen tussen de verwoeste huizen door dreven om later bij Muiden te stranden. Na bij de buitendijkse Nes bezuiden Monnickendam de eerste bressen te hebben geslagen brak het water vanaf half vier ’s nachts over een lengte van 350 meter door de Waterlandse Zeedijk. Ten koste van een enorm verlies aan levende have en schade aan goed en landerijen liepen de achterliggende polders tot en met die van Oostzaan onder water. Nadat het water de grintweg bovenop de Katwouder Zeedijk tussen Monnickendam en Volendam had weggespoeld stortte het water zich tot overmaat van ramp via drie doorbraken in de Katwouder polder en vervolgens in de Zuidpolder bij Volendam. Terwijl de kerken van Monnickendam en Edam als opvang dienden van honderden koeien bleven de Zeevang, de Wormer en de Purmer ternauwernood van overstroming gevrijwaard en Purmerend zelf alleen dank zij met zandzakken gevulde kistdammen.        

      

De Volendamse vissersvloot bleef gespaard, maar in het dorp leden de eendenbedrijven grote schade en 400 huizen in De Meer kwamen onder water te staan zodat 1200 vrouwen en kinderen in De Streek en het Duingebied moesten worden ondergebracht tot medio mei. Zolang had ook de grond van Waterland te lijden van het brakke water dat met een slachtoffer in Rotterdam erbij 22 mensenlevens eiste. Van de runderen moesten er 12.000 naar Duitsland worden verkoch samen met het verlies van 600 koeien, duizenden stuks schapen, varkens en pluimvee beliep de materiële schade aan huizen, boerderijen en vissersschepen 20 miljoen gulden. Tegen het einde van het jaar 1916 was de melkproductie in het overstromingsgebied alweer voor de helft op het oude niveau.


De watersnood werd echter ook de aanleiding tot de aanleg van de Zuiderzeewerken.                    Door de aanleg van de Afsluitdijk in1932 veranderde de Zuiderzee in het Ijsselmeer dat daarna door vier grote polders met de helft zou worden verkleind. Dit alles ging niet alleen ten koste van de werkgelegenheid in visserij en nevenbedrijven maar het versnelde ook de teloorgang van de vaak eeuwenoude folklore en gebruiken in de vissersdorpen.


Van visserseiland tot monument

Na de Reformatie ging de bevolking van Marken vanaf 1579 over tot de Nederlands Hervormde Kerk, maar de religieuze roerselen lieten ook op het eiland zijn sporen na. Na 1888nam de aanhang van de Gereformeerde Kerk toe tot een derde, maar hoewel dat leidde tot een apart kerkgebouw en dito school bleef men met name door de keuze van predikanten in het algemeen recht in de leer. Dat betekende overigens niet dat de Markers geen vertier kenden. Zoals de meeste vissersplaatsen rond de Zuiderzee kende Marken zijn eigen dialect met een duidelijk Fries aandoende woordenschat, maar het eiland onderscheidde zich ook in klederdracht, gebruiken en bijzondere tradities. Zo trok vroeger op de Tweede Paasdag een stoet van mannen, vrouwen en kinderen in een 3 uur durende wandeling langs de ringdijk om het eiland. Tijdens de jaarlijkse Pinksterkermis waren de inwoners en vooral de meisjes op zijn sierlijkst uitgedost terwijl een na het "smokkelen”(= minnekozen) in de botter aangeraakte verkering via een serieuze verloving uitmondde in een met talrijke familieceremonies omgeven bruiloft.


In 1917 begonnen de dansvaardige Markers de traditie om op de dichtgevroren haven een ijsbruiloft te houden. In 1995 trokken de Markers daar bijvoorbeeld graag hun aloude kostuums voor aan en dat doen ze tot op heden bij feestelijke gelegenheden zoals de uitbundig gevierde Koninginnedag. Evenals elders in Waterland bestond het typische uit de 17de eeuw stammende verschijnsel van een pronkkast met borden en schotels van porselein en ander aardewerk en pronkbedden met sierlijk gestikte slopen en fraai geborduurd handwerk. Veel huizen bevatten van mooi houtsnijwerk en smaakvol geschilderde taferelen voorziene kasten en kunstig uitgesneden klompen. Nadat Marken eerder in oude reisverhalen en op schilderijen voorkwam werd het eiland in de jaren 1860 door de eerste ‘vreemdelingen’ ontdekt. Maar de grote bekendheid kwam na het verschijnen van het boek van de Fransman Havard waarin hij zijn in 1873 ondernomen zeiltocht langs de Zuiderzeeplaatsen beschreef met het verhaal over de vriendelijke ontvangst op Marken. De eerste soms wat onwennig bekeken nieuwsgierige ‘vreemdelingen’ konden in 1876 al naar het eiland varen op een stoomboot van Amsterdammer Jac P. Lissone, die in 1884 concurrentie kreeg van de havenstoomdienst van     Zur Mühlen. Na alle doorstane ellende en de rampzalige watersnood van 1916 mag het geen bevreemding wekken dat de Markers zich positief opstelden tegenover de in 1918 aangenomen wet ter afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee. Veel Markers verlieten in de jaren 1920 noodgedwongen het eiland om bij de Zuiderzeewerken of elders werk te zoeken. Van het toerisme profiteerde naast een handjevol particulieren vooral de gemeente via het in 1914 ingevoerde koppengeld (toeristenbelasting). Ondanks de in steeds grotere getale toestromende bezoekers bleven de gestrenge bestuurders echter vasthouden aan de winkelsluiting op zondag. Zo bleef het in 1925 aan Sijtje Boes opgelegde verbod om mensen in haar kijkhuisje binnen te roepen tot 1939 van kracht. De sluiting van de Afsluitdijk in 1932 en de crisisjaren daarna noopten intussen weer een aantal vooral oudere Marker vissers hun bedrijf op te geven. Dat gebeurde ondanks het vooruitzicht te moeten leven van de karige 14 gulden per week die de Zuiderzeesteunwet voor hen in petto had.    De Markers hadden met hun kleiner type botter (13 meter) nooit de kustvisserij op de Noordzee beoefend en zagen op tegen de investering. Ze brachten hun maritieme ervaring en kennis liever aan de man als visventer of visverwerker (65 man) terwijl 100 andere mannen emplooi vonden in de koopvaardij en baggervaart en 18 in de binnenvaart. Het aantal boerenbedrijven was toegenomen van 10 tot 15 maar verder bood het eiland zelf te weinig werk zodat de werkloosheid rond 1950 sterk toenam. Nadat het aantal visvergunningen tussen 1951 en 1958 was geslonken van 11 tot 2, bestond het merendeel van de mannen inmiddels uit forensen. Vooral zij gaven een zucht van verlichting toen de op 17 oktober 1957 tot stand gekomen dijk naar het vasteland van een wegdek was voorzien. Het toerisme draaide intussen op volle toeren en dat was mede te danken aan de altijd bedrijvige Sijtje Boes (1895-1983) en haar blondgelokte zuster Ale Boes, die door de Amerikanen naar de wulpse filmdiva Mae West werd vernoemd.

De Markers zagen de humor er wel van in en bovendien zijn bijnamen er net als in Volendam gemeengoed. In 1962 verliet de MK 53 van Hein Zeeman als laatste botter de haven van Marken richting Zuiderzeemuseum. Marken was al eiland af en toen ook visserplaats af en voor de kleurrijke klederdracht kwam er een, overigens leuk ingericht, museum, maar bij alle ingrijpende veranderingen bleef Marken zichzelf. Voor de 1850 bewoners van nu is Marken gewoon het eiland’ en voor de talrijke bezoekers is het sinds 1971 beschermde dorpsgezicht met zijn werven en fris groen geschilderde, houten paalwoningen een uniek monument van onze strijd tegen de zee












  

geschiedenis 24,avondtocht,rondvaart,actief,bruinevloot,zeilen,familiefeest,bedrijfsuitje, vrijgezellenfeest,zeilen,ijsselmeer,zeilarrangementen,botter,bruine,vloot,schip, marken,zeilschip,huren,bruinevloot,klipper,tjalk,lemsteraak,ijzeren botter,mk 28,zeilen,historisch,vaartuig,museumschip,platbodem,marken, waterland,volendam,vrijgezellenfeestje,varen,boot,zeilen,teambuilding,zeilen zeilen 24 1 nieuws journaal personeelsuitje zeilen ijsselmeer personeelsfeestje zeilen markermeer personeelsfeestje zeilen zeilcharter zeiltochten zeiltocht zeilreis boottocht dagtocht IJsselmeer dagtochten IJsselmeer dagtocht marken ertussenuit marken 24,avondtocht,rondvaart,actief,bruinevloot,zeilen,familiefeest,bedrijfsuitje, vrijgezellenfeest,zeilen,ijsselmeer,zeilarrangementen,botter,bruine,vloot,schip, marken,zeilschip,huren,bruinevloot,klipper,tjalk,lemsteraak,ijzeren botter,mk 28,zeilen,historisch,vaartuig,museumschip,platbodem,marken, waterland,volendam,vrijgezellenfeestje,varen,boot,zeilen,teambuilding,zeilen zeilen 24 1 nieuws journaal personeelsuitje zeilen ijsselmeer personeelsfeestje zeilen markermeer personeelsfeestje zeilen zeilcharter zeiltochten zeiltocht zeilreis boottocht dagtocht IJsselmeer dagtochten IJsselmeer dagtocht marken ertussenuit marken